Klassieke conditionering

Iedereen kent het verhaal over de hond van Pavlov wel. Pavlov liet een neutrale stimulus (een bel) horen voordat de hond te eten kreeg, maar op den duur ging de hond ook kwijlen wanneer hij de bel horen zonder eten te krijgen. Bron: opleiding sociaal agogisch werken (SAW niveau 4)

Door associatie krijgt de stimulus zeggenschap over het gedrag. In eerste instantie was de stimulus nog neutraal, maar deze wordt opgeslokt door de sterkere stimulus en neemt de eigenschappen over.

Klassieke conditionering wordt veel gebruikt om gedrag te verklaren, maar vooral voor het afleren van ongewenst gedrag door middel van exposure en dat blijkt zeer effectief te zijn (Maes & Kop, 2001).   

Er is veel onderzoek gedaan naar klassieke conditionering later pas naar gehele gedragingen en klassieke conditionering. Dit blijkt ingewikkelder te zijn dan Pavlov dacht, want wat maakt dat iemand een specifieke associatie maakt met iets, terwijl er in de omgeving tal van dingen zijn die een associatie kunnen oproepen (Maes & Kop, 2001).

Rescorla-Wagnermodel
Is een mathematisch groeimodel dat verder gaat op de grondvesten van de klassieke conditionering. Het groeimodel gaat ervanuit dat een zwakke stimulus aan sterkte wint bij het samengaan met een sterke stimulus. Dit is in het begin het grootste en neemt langzamerhand af. Een extra factor die ze toevoegde is het fijt dat de stimulus wel of niet opvallend is. Een stimulus die geen aandacht vraagt, wordt geen geconditioneerde stimulus. 

Extinctie: is het langzaam uitdoven van gedrag, hierbij kan het verstrijken van de tijd al voldoende zijn, maar de afgeleerde reactie is labiel, wat inhoudt dat het afgeleerde gedrag gemakkelijker terugkeert.
Reinstatement houdt in dat je eenmalig een sterke stimulus aanbiedt en de reactie dan weer terugkeert.
Een ander fenomeen is renewal, een zwakke stimulus in dezelfde omgeving waar die oorspronkelijk heeft plaatsgevonden, doet de oorspronkelijke koppeling terugkomen.

Deze drie fenomenen hebben iets te maken met de context waarin het gedrag is aangeleerd en waar de uitdoving plaatsvindt. Het lijkt erop dat de volledige aanwezigheid van de context een voorwaarde is voor het afleren van de geconditioneerde respons. Soms is dit niet meer mogelijk door het verstrijken van de tijd of is de omgeving veranderd.

Wanneer in een andere situatie het gedrag afgeleerd wordt, ontstaan er verschillende associaties met de stimulus. Het is noodzakelijk om verschillende situaties op te zoeken en daar een andere positieve associatie met de stimulus aan te verbinden. De stimulus krijgt hierdoor verschillende betekenissen en zo ontstaat een optelsom en vindt terugval niet meer plaats.

Het lijkt ook zo te zijn dat de afleercontext geen respons onderdrukkende eigenschappen heeft. Het onderdrukkende vermogen van de context generaliseert niet naar andere prikkels die aan dezelfde stimulus gekoppeld werden. 

Het afleren van een bepaalde stimulus kan in een andere situatie weer helemaal opleven en zo is een stimulus ambigu geworden en is afhankelijk van de omgeving of de context.

Bij therapie is vaak het probleem dat de negatieve stimulus in een bepaalde situatie (behandelkamer) wordt afgeleerd en daardoor kan het effect soms van korte duur zijn. Je kunt het succes van de therapie vergroten door de cliënt af te raden om in dezelfde situatie terug te keren. Daarnaast moet de behandeling bij voorkeur plaatsvinden in een alledaagse context en niet alleen in de therapiekamer. Ten slotte moet de cliënt zelf een of meerdere elementen in een andere context kunnen gebruiken en zo zichzelf aan de stimulus blootstellen. 

Voor dit stuk heb ik voornamelijk (uitgezonderd bij bronvermelding over Pavlov) gebruik gemaakt van de volgende bron: (Maes & Kop, 2001).

formule voor gedragsverandering

er is door wetenschappelijk onderzoek een formule ontwikkeld naar gedragsverandering. Deze formule is:         dΔ = F(iD × D × iA) D

                                                                                              d =         duurzame

                                                                                              Δ =         gedragsverandering

                                                                                              F =         functie

                                                                                              iD=         innerlijke drang (lijdensdruk)

                                                                                              D =         disipline

                                                                                              iA=         interne attributie

Een verandering lukt alleen als men alle drie de punten boven een 0 scoort. Als je geen drang hebt of discipline en je schrijf de mislukking aan anderen toe, dan ga je niet veranderen en heeft het geen zin om het te proberen.

Als er veel innerlijke drang is of lijdensdruk, dan heeft iemand sneller de neiging om het gedrag te veranderen bijvoorbeeld als iemand altijd klaagt, maar er nooit consequenties aan verbindt zal er geen verandering ontstaan. Als iemand veel interne drang heeft en een alternatief ziet voor de huidige situatie zal deze sneller veranderen.

Voor gedragsverandering is discipline nodig want je moet nieuw gedrag consequent doen.

Interne attributie  is een term om jezelf de schuld te geven en ervan overtuigd te zijn dat je het de volgende keer beter doet. Alleen wanneer je jezelf de schuld geeft, niet de omgeving of omstandigheid kun je veranderen, anders ben je afhankelijk van anderen in de uitkomst van het gedrag.

 Heel vaak komt het niet tot een gedragsverandering omdat in de formule 0 uitkomt want er is te weinig Leidens druk, als mensen boven de 0 scoren, komt er verandering. Het is heel normaal dat mensen niet veranderen, maar een kleine groep mensen komt daadwerkelijk tot een verandering.

Motivatie

Het veranderen van gedrag vergt inspanning van de cliënt en de motivatie is de motor tot verandering. In de afgelopen jaren zijn er methodes ontwikkeld om de motivatie van de cliënt te bevorderen zoals bijvoorbeeld motiverende gespreksvoering, omdat ze merken dat gemotiveerde cliënten betere resultaten behalen.

De realiteit is vaak, dat de cliënt geen verandering nastreeft en weerstand heeft. Sommigen ontkennen hun probleem en anderen vinden dat de omgeving het probleem vergroot en zo zien ze het belang van de verandering niet.
Andere cliënten willen wel veranderen, maar er zijn dan ook weer dingen die ze weerhouden tot verandering.
Er zijn ook cliënten die oppervlakkig gemotiveerd zijn maar onderhuids zich verzetten, hierbij speelt de goedkeuring van de omgeving of de druk van buitenaf (bijvoorbeeld de rechtbank) veelal een rol.
Het komt ook voor dat cliënten wel willen veranderen maar veel negatieve ervaringen hebben gehad en daardoor geen vertrouwen hebben.
Er zijn dus tal van redenen waarom een cliënt niet gemotiveerd is en daardoor moet er vaak gesleurd en getrokken worden, maar soms leidt dat ook tot niets.

Het opbouwen van motivatie wordt soms door therapeuten gezien als startpunt voor de echte therapie. Bij therapie (ook bij begeleiding) is het belangrijk om stil te staan bij verandering. Er zijn veel effectieve behandelingen voor gemotiveerde cliënten.  Soms komen cliënten door een gebrekkige motivatie zelfs nooit op hun eerste afspraak opdagen.

Vaak wordt er gesproken over intrinsieke en extrinsieke motivatie, maar de bron (Vansteenkiste & Neyrinck, 2012) die ik gebruik doet dat niet en maakt nog meer onderscheid tussen de verschillende motivaties.            

Deze verschillende motivaties zijn:

Externe regulatie: de Cliënt streeft verandering na omwille van de omgeving. Zodra deze omgeving wegvalt, valt de cliënt terug in oud gedrag. Als de druk te hoog wordt kunnen cliënten zich er ook tegen verzetten. Zodoende zijn slaafse volgzaamheid en rebellie verschillende kanten van hetzelfde muntstuk.

Geïntrojecteerde regulatie: bij deze motivatie veranderd de cliënt zijn gedrag, omdat hij vindt dat hij zou moeten. Negatieve gevoelen moeten worden vermeden door het gedrag aan te passen. Soms wordt een gedragsverandering ook gebruikt om een gevoel van trots te ontwikkelen. Bij deze motivatie gaat de gedragsverandering gepaard met een innerlijk conflict. Een deel van de cliënt wil veranderen en een ander deel wil het uitstellen. Hierdoor komt het gewenste gedrag soms wel voor en soms niet. Maar de kans is wel groter dan bij externe regulatie dat er succes is, omdat dan de innerlijke criticus stil is.

Geïdentificeerde gedragsregulatie: hierbij is de gedragsverandering bijna helemaal verinnerlijkt, omdat de cliënt zich ermee identificeert of verzoent met de gedragsverandering, ook ziet hij de waarde ervan in en dient het een persoonlijk doel. Hierdoor is de cliënt meer overtuigd en doet  deze verandering vrijwillig. 

Geïntegreerde regulatie: hierbij is de gedragsverandering niet enkel op zichzelf betekenisvol, maar sluit het aan bij de overtuiging (normen en waarden). 

“De ZDT stelt dat autonoom en gecontroleerd gemotiveerde activiteiten intentioneel van aard zijn: ze zijn gericht op het werven van een specifieke uitkomst

Wanneer de cliënt niet gemotiveerd is om zijn gedrag te richten op het bereiken van een uitkomst, wordt hiervoor de term a-motivatie gebruikt. Dit kan twee oorzaken hebben. Ten eerste omdat de cliënt het belang er niet van inziet, of ten tweede omdat de cliënt niet het idee heeft dat hij het vol kan houden of het dat ze verandering het gewenste effect heeft. Het laatste wordt ook wel aangeleerde hulpeloosheid genoemd, omdat er door tegenslagen voor de cliënt geen verband bestaat tussen het gedrag en het bereiken van een doel.  

 Uit steeds meer onderzoek blijkt dat motivatie samenhangt met het succes van de behandeling en de terugval na de behandeling. Wanneer de cliënt zelf gemotiveerd is zijn ze beter bij de les te houden zijn. Autonoom gemotiveerde cliënten hebben minder spanning tijdens de behandeling en zijn tevredener over de vooruitgang, ook hebben ze minder depressieve symptomen. Waarschijnlijk hebben autonoom gemotiveerde cliënten ook een kleinere kans op herval en zien dat minder als falen, maar als een kans.  

Er zijn ook behoeftes die ieder mens zou hebben en die bevredigd moeten worden en waarbij gedragsverandering een positieve bijdrage kan leveren.

Competitie: het gevoel zich bekwaam te voelen in de activiteit. En is noodzakelijk voor elke vorm van motivatie. Je kunt dit ondersteunen door een stevige houvast of structuur, waaraan de cliënt kan voldoen.

Autonomie: de behoefte om psychologisch vrij te kunnen functioneren. Hierbij moet de cliënt het gevoel hebben zelf te kunnen beslissen en niet gedwongen te worden iets te voelen wat hij niet voelt. Cliënten die hun therapeut als autonoom-ondersteunend beschouwen, handelen zelfstandiger en hebben minder gecontroleerde motivatie. 

Relationele verbondenheid: is de behoefte naar diepgaande, bevredigende sociale relaties.

Voor het schrijven van dit stuk heb ik gebruik gemaakt van de volgende bron: (Vansteenkiste & Neyrinck, 2012)

motivatietheorie van Prochaska en DiClemente

deze motivatietheorie gaat er vanuit dat motivatie niet in een keer komt en dat er verschillende stappen zijn voordat iemand over gaat op gedragsverandering deze stappen zijn:

  1. Het stadium van voorbeschouwing (precontemplatie). In dit stadium is de cliënt zich er niet bewust van dat hij een probleem heeft. In dit stadium wordt er veel weerstand geboden door de cliënt wanneer deze wel tot verandering wordt aangezet want de cliënt brengt de aanwezige problemen niet in verband met het eigen gedrag.
  2. Het stadium van overpeinzing (contemplatie). Nu begint de cliënt zichzelf te evalueren en te overwegen wat de verandering op kan leveren. De cliënt komt erachter dat zijn problemen te maken heeft met zijn eigen gedrag.
  3. Het stadium van besluitvorming. Hier neemt de cliënt de beslissing om iets aan zijn probleem te doen en er worden plannen ontwikkeld.
  4. Het stadium van actieve verandering. Nu volstrekt zich de daadwerkelijke gedragsverandering van de cliënt.
  5. Het stadium van consolidatie. In dit stadium wordt de verandering geïntegreerd in het hele bestaan om zo niet terug te vallen in oud gedrag.
  6. Het stadium van terugval. Het terugvallen in oud gedrag kan tijdens, of tussen twee behandelingen, of na de behandeling plaats vinden. Bij sommige gedrag is dit eerder regel dan uitzondering. 

voor dit stuk heb ik gebruik gemaakt van de volgende bron: (Kersten, 2009)

Bibliografie

Kersten, D. (2009). Opgehaald van Motiverende mentorgesprekken met gedragsgestoorde jongeren in een Justitionele inrichting: https://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/35287/Masterscriptie%20-%20Dayna%20Kersten.doc?s

Maes, R., & Kop, P. (2001, april). Klassieke conditionering in de psychotherapie. Opgehaald van Springer Link: https://link-springer-com.windesheim.idm.oclc.org/article/10.1007%2FBF03071907

Vansteenkiste, M., & Neyrinck, B. (2012, december 3). Optimaal motiveren van gedragsverandering. Opgehaald van Springerlink: https://link-springer-com.windesheim.idm.oclc.org/article/10.1007%2FBF03096139

Laat een reactie achter