Licht verstandelijke beperkte hebben moeite met de volgende dingen:

  • Beperkte sociaal aanpassingsvermogen
  • Beperkte conceptuele vaardigheden
  • Beperkte praktische vaardigheden
  • Bijkomende problematiek
    • Meer moeite met zelfstandig functioneren
    • Minder zelfredzaam en beter beinvloedbaar
    • Leerproblemen
    • Psychiatrische stoornissen
    • Medische aandoeningen
    • Problemen in de thuissituatie

Op al deze terreinen ondervinden zij hinder en wel hierom krijgen ze extra ondersteuning in de vorm van begeleiding, dagbesteding of behandeling. Zij wonen ook vaker niet thuis en wanneer zij wel bij hun ouders wonen, gaat dit vaak lastig en zijn daar veel problemen. Deze jongeren hebben 2 tot 4 keer zoveel kans om daarnaast andere psychiatrische problemen te krijgen en deze problemen worden vaak pas te laat gezien. Wel hierom wordt aangeraden om op vroege leeftijd de problemen zo helder mogelijk te krijgen en daardoor de juiste begeleiding te kunnen bieden. Flink investeren voor het 18e levensjaar wordt als een belangrijke voorwaarde gezien voor meer zelfredzaamheid en participatie op latere leeftijd. Het is belangrijk om te investeren in een stabiele gezinssituatie waarin de eigen kracht voorop staat.

Zo 15% van de jongeren heeft een lichtverstandelijke beperking en deze jongeren zijn te vinden op het vmbo, speciaal onderwijs en het praktijk onderwijs. Het vinden van de juiste plek voor de jongeren is erg belangrijk zowel overschatting als onderschatting ligt op de loer en beide hebben nadelige gevolgen voor het op latere leeftijd zoeken van een juiste werkplek. Door hun problematiek zou er extra veel aandacht moeten zijn bij het aanleren van sociale- en werk vaardigheden en moet dit als een rode draad door de opleiding gaan. Voor veel werkgevers zijn deze vaardigheden belangrijker dan praktische vaardigheden omdat deze laatste veel gemakkelijker aan te leren zijn. Hiervoor is over het algemeen minder ruimte voor bij het vmbo, met de komst van het passend onderwijs zou hier meer aandacht voor moeten kunnen zijn.

Qua cijfers doet het praktijk onderwijs het erg goed, veel jongeren vinden na het afronden van deze opleiding een juiste reguliere werkplek. Op het praktijk onderwijs is er veel aandacht voor het aanleren van de juiste vaardigheden en staat stage lopen centraal. Deze jongeren behalen geen diploma maar kunnen wel certificaten of branchediploma’s behalen.

Wel is er minder aandacht voor de problematiek en gedragsproblemen. Hierin is veel meer aandacht voor in het speciaal voortgezet onderwijs. Hier kunnen ze wel een diploma behalen en zouden ze ook door kunnen stromen naar het reguliere mbo. de uitstroom vanuit het speciaal voortgezet middelbaar onderwijs naar een reguliere baan licht waarschijnlijk aanzienlijk lager dan bij praktijk onderwijs. Dit komt omdat het vso niet direct opleid voor de arbeidsmarkt.

Welke onderwijs vorm het passendste is, is verschillend per jongeren maar het is wel zeer belangrijk, zeker om schooluitval te voorkomen. 

Bij een ideaal traject voor deze jongeren is er een partij die de jongere en het netwerk kent, de regie pakt en kijkt wat nodig is. Vooral bij overstapsituaties zoals van school naar werk, of van 18- naar 18+ moet er extra ondersteuning geboden. Ook is het voor jongeren met een lichtverstandelijke beperking erg lastig om werk te vinden en te behouden. Er wordt zodoende vaak gewerkt met een jobcoach. Het zou ook helpend kunnen zijn om werkgevers extra te ondersteunen.

Bibliografie

Berg, B. v., Heuts, L., & Kruis, C. v. (2013, oktober). onderzoek naar doeltreffendere en goedkopere ondersteuning gericht op arbeidsparticipatie. Opgehaald van Regioplan: https://www.regioplan.nl/wp-content/uploads/data/file/rapporten-2300-2399/Eindrapport-2313-OndersteuningVanJongerenMetEenLVB-Regioplan-28okt2013.pdf

Laat een reactie achter